Categorie archief: recensie

Onder het ijs

Ik lees de laatste jaren steeds minder fictie. Ik probeer het wel, maar haak vaak na een bladzijde of twintig alweer af. Soms is zelfs de flaptekst al voldoende om er niet aan te beginnen. Weer zo’n verzonnen verhaal waarin ik mezelf niet herken, waarin ik me niet met iemand kan identificeren. Vooral Nederlandse schrijvers boeien me steeds minder. Zelfs het bejubelde Kwaadschiks van van der Heijden verveelde me al na tien minuten. Zo bedacht, zo kunstmatig, zonde van mijn tijd. Terwijl die man echt wel kan schrijven.

Het fijne van Google Play Books is dat je het eerste hoofdstuk van een boek gratis kunt downloaden. Zo scheid ik snel het kaf van het koren. Dat deed ik ook bij de nieuwe roman van Ellen de Bruin. Waarschijnlijk zou het boek me niet eens opgevallen zijn, ware het niet dat ik vorig jaar een uitstekende non-fictie van haar las, Onsterfelijkheid voor beginners, dat ik in een eerder blog besprak. Nu hoeven goede non-fictieschrijvers geen goede romanciers te zijn, maar mijn belangstelling was gewekt. De flaptekst leek een dertien-in-een-dozijn-boek aan te prijzen, doch ik negeerde mijn weerzin en begon aan hoofdstuk 1.

Lees verder Onder het ijs

Homo Sapiens

Geschiedenisboeken bestaan er in allerlei soorten en maten. Ze gaan over een bepaalde persoon, een bepaalde periode, een bepaald gebied of overspannen de hele bekende geschiedenis. Ik heb geen specifieke voorkeur. Ik lees een biografie van Caesar, een beschrijving van de Middeleeuwen, een overzicht van de Egyptische Koningstijd of de opkomst van het mensdom allemaal met evenveel aandacht en plezier.

Een paar jaar geleden verscheen er in de laatste categorie een opmerkelijk boek, geschreven door een Israelische historicus: Homo Sapiens, met als nogal gedurfde ondertitel: Een kleine geschiedenis van de mensheid. Gedurfd, omdat een verhaal dat miljoenen jaren bestrijkt behoorlijk wat kennis vereist op veel verschillende gebieden. Yuval Noah Harari die geschiedenis doceert aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem stelde mij niet teleur. Zeker, hij heeft een agenda en vergaloppeert zich in zijn enthousiasme wel eens, maar hij neemt over het algemeen de gepaste terughoudendheid in acht waar het gaat om speculatieve theorieën, onderbouwt zijn verhaal met archeologisch bewijs en onderzoek en is bovenal een zeer begenadigd verteller. Ik kon niet ophouden met lezen.

Lees verder Homo Sapiens

Doodsangst

Als kind laat je je alles wijsmaken. Hoe systematischer dat gebeurt, hoe moeilijker het is om je daar weer van te bevrijden. Ik werd Katholiek opgevoed, was zelfs even misdienaar, maar begon vanaf de vroege puberteit te merken dat er een hoop niet klopte. Ik verdiepte me in nog wat andere godsdiensten, maar ook die overtuigden niet helemaal, al heeft het Boeddhisme me nog lang beziggehouden. Het lastigste om kwijt te raken was het gevoel dat je als je dood gaat je door iets of iemand geoordeeld zou worden. Dus was ik wel een boef, maar nooit echt slecht, want tja, je weet nooit of je dat niet nog eens aan de een of andere hemelpoort moet uitleggen. Misschien maar goed ook dus, die remming, want wie weet wat voor een schurk ik anders geworden zou zijn.

Al sinds mensenheugenis dromen wij van onsterfelijkheid. In de vorm van een leven na de dood, een reïncarnatie of, beter nog, een eeuwig leven hier, in ons eigen lijf. In het uiterst vermakelijke ‘Onsterfelijkheid voor beginners’ legt Ellen de Bruin uit hoe men denkt dat voor elkaar te krijgen. Hoewel de titel wellicht anders doet vermoeden, is het geen modieus hapsnap boekje, maar wordt er behoorlijk diep in de materie gedoken. Veel humor, maar daarom niet minder serieus.

Lees verder Doodsangst

Kwakgeschiedenis

Ik weet niet of hij het zelf gemunt heeft, maar iedere keer als Jona Lendering het woord op zijn blog gebruikt, moet ik even grinniken. Kwakgeschiedenis. Beslist het leukste woord dat ik in jaren tegengekomen ben. Jona plakt dit etiket op verhalen over het verleden die duidelijk onzin en vaak expliciet volkomen onmogelijk zijn. Hij is er nog vrij voorzichtig mee, voor mij geldt het eigenlijk al voor elke speculatie, die niet als zodanig aangegeven is. Een mooi voorbeeld van zo’n kwakhistoricus is Erich von Däniken, die in 1969 met ‘Waren de goden kosmonauten?’ een behoorlijke bestseller produceerde. Ik las dat boek in de jaren ’70 en vond het toen geweldig. Om een paar redenen. Ten eerste ben ik een liefhebber van science fiction, dus alles over buitenaardse beschavingen vind ik snel interessant. Verder heeft de wetenschap mij al jong de neus laten stoten. Las ik in de KIJK een mooi verhaal, dan kwam ik er een paar jaar later achter dat er niets van klopte. Wetenschappers hielden elkaar de hand boven het hoofd, bleven hardnekkig vasthouden aan de bestaande consensus en nieuwe ideeën werden weggelachen. Ik overdrijf wellicht, maar ik was natuurlijk nog jong. Dus een radicaal ander verhaal, zoals dat van Von Däniken, ging erin als koek. Stand with the underdog. Afgelopen zaterdag stond er een artikel over hem in de Volkskrant en barstte de discussie meteen weer los.

Lees verder Kwakgeschiedenis

Stenen

Ergens halverwege de jaren ’80 ging ik met een vriendin voor een weekje naar Engeland. Zij had in Londen gewoond en wilde wat vrienden opzoeken, ik had Oxford en Stonehenge op mijn bucketlijstje staan. Behalve dat je links moet rijden, het belabberde eten en de Britten zelf natuurlijk, is het best een aardig land. Londen vond ik niks, behalve het Hampstead Heath park, en Oxford was geweldig, maar vooral die paar uur bij Stonehenge zijn 30 jaar later nog steeds een aangename herinnering. Al wist ik er nauwelijks veel meer van dan de gemiddelde toerist, het maakt indruk en smaakte eigenlijk naar meer. Ik zag weliswaar nog een paar andere steencirkels en had daarvoor al eens een verdwaalde hunebed in Drenthe gespot, je rijdt daarna weer naar huis en bent al snel weer met andere dingen bezig.

Gelukkig is een mens nooit te oud om te leren en attendeert iemand je wel eens op een interessant boek. Zo las ik een tijdje terug een uitstekende recensie van ‘Een paleis voor de doden’ van de Belgische wetenschapsjournalist Herman Clerinx. Kijk, die man neemt geen halve maatregelen. Als er ergens in Nederland, België, Frankrijk of Engeland een interessante steen staat, dan staat die in het boek en vertelt hij je niet alleen een korte geschiedenis en de nodige anekdotes, maar ook waar je dat ding precies kunt vinden. Een veldgids. Om blij van te worden.

Lees verder Stenen

Taal

Behalve lezen vond ik ook schrijven al op jonge leeftijd leuk. En dan vooral spelen met taal. Ik schreef liedjes, gedichten en observaties. Ik was verslaafd aan cabaret en verslond de soms ronduit absurde taalkronkels van idolen als Kees van Kooten en Drs. P. Uiteindelijk resulteerde één en ander jaren later in mijn bestaan als tekstschrijver. Taal is zeg maar echt mijn ding. Dus toen er in 2009 een boek verscheen met die titel, was mijn nieuwsgierigheid direct gewekt. Paulien Cornelisse schrijft in dit soms buitengewoon geestige werkje over de merkwaardige wijze waarop mensen met taal omgaan. Hoewel taal bedoeld is om iets duidelijk te maken, komt daar vaak maar weinig van terecht. Talloze zeer herkenbare voorbeelden tonen de feitelijke onmogelijkheid van helder communiceren aan. Omdat één boekje niet genoeg bleek, kwam een paar jaar later ‘En dan nog iets’ met nog veel meer rake observaties van hoe wij in het dagelijkse leven stuntelen met taal. Lichtvoetig en in prettig leesbare stijl. En met veel aha-erlebnis. Geen hoogstaande taalstudie, maar ook geen niemandalletje. Ik kan beide boekjes van harte aanbevelen. Goed voor uren leesplezier. Dit is overigens uiterst subjectief. Er verschijnen aan de lopende band taalboekjes, die ik niet allemaal lees, en er zit vast wel meer vermakelijk leesvoer tussen.

Lees verder Taal

Het ware zelf

Ik las een aardig stukje op brainwash.nl (de naam zegt het al) over de eeuwige zoektocht naar het ware zelf. Deze keer werd Confucius maar weer eens van stal gehaald. Niets ten nadele overigens van deze gemoedelijke Chinese wijsgeer, die ik in een ver verleden ook een tijd hartstochtelijk gelezen heb. De strekking van het verhaal was dat je niet op zoek moet naar je ware zelf, maar gewoon een nieuw zelf moet creëren. Ongeveer mijn motto: ‘beter ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd’. Het stukje is wat tendentieus, maar in elk geval raadt het het lezen van de filosofen zelf aan. Ik verbaas mij regelmatig over de constante stroom zelfhulpboeken, die maar blijft voortduren, en nog immer gretig aftrek vindt. Allemaal van die lui die het licht gezien denken te hebben en jou daar dan mee lastigvallen. Ik heb er ook wel eens één doorgeworsteld, maar kon er niet opgewonden van raken. Dan liever een Confucius lezen, een Augustinus, een Ouspensky of een Sogyal Rinpoche. Filosofie geeft geen pasklare oplossing, maar zet aan tot zelf denken en dat leek mij altijd zinniger dan zo’n 10-stappenplan om een gelukkiger mens te worden. Trouwens, gelukkig ben ik al, dus dan is zo’n boek sowieso geen optie.

Lees verder Het ware zelf

Catch 22

Je bent dakloos en wil een kamer huren. Dat kost geld en dat heb je niet, want je hebt ook geen werk. Maar om een uitkering te krijgen, moet je eerst een woonadres hebben. Dat heb je niet, want daarvoor moet je eerst een uitkering hebben. Zo’n onmogelijke twist noemen we doorgaans een Catch 22, naar het hilarische debuut met die titel van de Amerikaanse schrijver Joseph Heller. Deze absurdistische oorlogsroman dateert al uit 1961 en werd grandioos verfilmd in 1970. Het verhaal draait om een oorlogspiloot die wanhopig wordt van de oorlog en graag naar huis wil. Helaas werkt de bureaucratie niet mee. Een collega van hem maakt juist gebruik van die doordraaiende oorlogsbureaucratie en verrijkt zich op de zwarte markt. Op groteske wijze wordt zo de waanzin van oorlog blootgelegd. Ik zag die film een paar jaar later en werd nieuwsgierig naar het boek waarop hij gebaseerd was.  Zo leerde ik de schrijver Heller kennen en was onmiddellijk gecharmeerd van zijn verteltrant. Daarna hoorde ik niets meer van hem. Omdat ik jaren als een nomade leefde, raakte ik nogal wat spullen kwijt, waaronder het boek van Heller. Het duurde ruim een  kwart eeuw voor ik bij toeval in een boekenwinkel zijn naam weer tegenkwam.

Lees verder Catch 22

Feestje in het brein

Ik ben jarig vandaag. Maar ik word 60, dus ik vind dat er eigenlijk niets te vieren valt. Toch tracteer ik: op een extra lang feestblogje. Vandaag over een boek dat ik vorige week alvast voor mijn verjaardag kreeg en dat ik nu aan het lezen ben. Ik kwam het een tijdje terug tegen in een mooie recensie op Sargasso, van de hand van Marcel Hulspas, een wetenschapsjournalist. Die schreef onder meer dat dat boek een mijlpaal in zijn persoonlijke ontwikkeling was. Nou, dát maakte me nieuwsgierig. Niet omdat ik net zo’n knorrepot als Marcel wil worden, maar omdat hij vaak hele intelligente dingen schrijft, over uiteenlopende onderwerpen. Los daarvan intrigeerde het onderwerp van het boek me sowieso direct. Om dat te begrijpen is er eerst een beetje van mijn voorgeschiedenis nodig.

Tussen mijn 15e en mijn 25e gebruikte ik ongeveer 2 á 300 keer hallucinogene middelen. LSD, DMT, STP, peyote, psylocybine en nog wat van die spannende stofjes. Zelfs een paar keer een vliegenzwam. Maar die is toch zwaar giftig? Mooi verhaal. Ja en nee. De truc was om een minuut of 20 na inname een vinger in je keel te steken om de halfverteerde zooi weer uit te spugen. Anders liep het mogelijk slecht met je af (niet geprobeerd). Maar deed je het goed, dan was de beloning een trip van ongekende heftigheid.

Nu geef ik onmiddellijk toe dat het er in de meeste gevallen gewoon om ging een goede tijd te hebben. Maar een aantal keren deed ik ook wat experimenten. Wetenschappelijk zou ik het niet willen noemen, maar leerzaam was het wel.

Lees verder Feestje in het brein

Zen

Ik las een paar droevige berichten deze week. Eerst overleed Robert M. Pirsig, een schrijver waar ik veel aan heb gehad. Vervolgens verschenen er diverse zure stukjes naar aanleiding van zijn overlijden, over wat er eigenlijk allemaal niet deugde aan het boek waarmee hij beroemd werd. Sukkels. ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ verscheen in 1974 (de Nederlandse vertaling is van 1976). Ik las het een jaar later, toen ik 19 was, en het boek zette in mijn leven heel veel dingen in gang. Pirsig bracht een aantal zaken samen in één verhaal. Allereerst is hij op reis, op de motor, met zijn zoon. Je leert iets over Amerika, je leert iets over motoren, je leert iets over relaties, vooral over de relatie met jezelf. Want Pirsig had een troebel verleden en worstelde nog met zijn oude ik, uit de tijd dat hij aan schizofrenie leed. Hij vertelt daar open en helder over en alleen dat maakt het boek al bijzonder. Maar het belangrijkste gebeurt daar tussendoor. Terwijl hij motorrijdt, afwast, aan zijn motor sleutelt, filosofeert hij over het begrip kwaliteit. Wat is dat nou precies? Of eigenlijk, wat maakt het leven boeiend en bijzonder? Of nog beter, hoe maak je je leven boeiend en bijzonder? Zelf geeft hij het boek als ondertitel mee: een onderzoek naar waarden.

Lees verder Zen